Hoe moet, in deze tijd van teruglopende sponsorinkomsten en teruglopende Lotto-gelden, de (top)sport worden gefinancierd?

De Sportagenda 2017-2020 die straks na de Olympische Spelen van Rio ingaat, staat meer dan ooit in het teken van geld. Hoe dient de sport de komende jaren te worden gefinancierd? En hoe moeten de beschikbare middelen over de bonden worden verdeeld? Acht sportinsiders lossen een schot voor de boeg en dienen Gerard Dielessen, directeur NOC*NSF, van repliek.

De afgelopen maanden is door NOC*NSF en de sportbonden volop gesproken over de Sportagenda 2017-2020 ofwel, zoals Dielessen hem noemt, de Sportagenda 2017+. Deze staat in het teken van de herziening van de Wet op de kansspelen (en de waarschijnlijke overgang van De Lotto van een privaat bedrijf naar een staatsbedrijf), van de komst volgend jaar van een nieuw kabinet met wellicht nieuwe beleidsplannen op het gebied van sport, maar vooral van geld. Hoe moet, in deze tijd van teruglopende sponsorinkomsten en teruglopende Lotto-gelden, de (top)sport worden gefinancierd? Is het niet beter om de Lotto/Staatsloterij-inkomsten, zoals de afgelopen tijd al vaker is gesuggereerd, in te wisselen voor een vaste bijdrage van de rijksoverheid? En dan: Hoe moeten de beschikbare collectieve middelen, uit welke bron dan ook afkomstig, worden verdeeld? Welke verdeelsleutels moeten door VWS en NOC*NSF worden gehanteerd?

Toverwoord

De afgelopen jaren is, op voorspraak van NOC*NSF, het woord ‘transitie’ uitgegroeid tot een soort toverterm: Hoe kunnen de bonden met vernieuwend beleid ook de ongeorganiseerde sporter aan zich binden? Hoe kunnen ze met innoverende marketing het bedrijfsleven een podium bieden voor een duurzame, maatschappelijke invulling van sportbetrokkenheid? En vooral: hoe kunnen ze uitgroeien tot krachtige, ondernemende sportorganisaties die in staat zijn zelf hun broek op te houden?
Dit Umfeld staat naar verwachting ook de komende jaren centraal. Om de geesten te scherpen en het debat van relevante argumenten te voorzien, heeft Sport & Strategie negen sportinsiders de volgende vier vragen voorgelegd:
  1. 1. Op welke wijze kunnen sportbonden hun sponsorwaarde verhogen? En moeten ze daarvoor, bij aantoonbaar succes, worden beloond met een extra bijdrage uit de Lotto-middelen?
  2. 2. Welke variant van collectieve financiering heeft uw voorkeur: een variabel (d.i. afhankelijk van de feitelijke inkomsten) bedrag uit De Lotto/Staatsloterij, of een vastgesteld bedrag van VWS?
  3. 3. Moeten bonden die worden gesponsord door concurrerende kansspelorganisaties, worden uitgezonderd van de toekenning van Lotto/Staatsloterij-gelden?
  4. 4. Bonden die een grote bijdrage leveren aan de Nederlandse toptienambitie, krijgen hiervoor extra geld. Moeten de bonden die de grootste bijdrage leveren aan de sportparticipatie daar ook extra voor worden beloond?
De deelnemers aan het debat:
  • Erik Gerritsen, directeur Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB);
  • Michel van Grunsven, partner Triple Double;
  • Boudewijn Poelmann, directievoorzitter Nationale Postcode Loterij, VriendenLoterij en BankGiro Loterij;
  • Eric Ruts, Sponsorbrein;
  • Arjan de Vries, directeur Sportcluster Veenendaal;
  • Philip Wagner, ICUC-hoogleraar Global Economy & Governance en algemeen directeur van Wagner Group;
  • Marcel Wintels, voorzitter Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU);
  • Chris Woerts, CWO Consultancy & Marketing.
Dit is een voorpublicatie van een groter artikel uit het Sport & Strategie Vakblad editie 2-2016, dat deze week verschijnt. Woensdag in het nationale sportdebat: Arjan de Vries.

Source: Het nationale sportdebat: hoe de Nederlandse sport te financieren? | Sport & Strategie – Het platform voor executives in de sport, bij overheid, bedrijven & media